Bob Porcelyn


Van mijn familie zijn 'Oom Bob' (Salomon Elias) en mijn vader de enige Porcelijn’s die de oorlog overleefden. Daarnaast was er nog een halftante en haar man (Jeanette en Jo Limburg-Gobes) en de echtgenoot van mijn vaders zus Anna, Ies Salomons, die de oorlog door onderduik overleefden. De rest werd vermoord in Sobibor en Auschwitz. 


Bob was een volle neef van mijn vader, de middelste van drie kinderen van Abraham Porcelijn en Branca Nunes Nabarro. Branca overleed in 1927, waarna Bob en zijn jongere broer Hans naar het Joods Weeshuis in Den Haag gingen. Daar zouden tot hun 17e blijven. Waar hun oudere zus Sara bleef weet ik niet.


1927 overlijdensadvertentie Branca Nunes Nabarro.jpg

Overlijdensadvertentie Branca


 Abraham hertrouwde een halfjaar later met Mietje Baks (1888-1942) met wie hij nog een vierde kind kreeg, Sientje. Zus Sara trouwde in 1936 met Levie Frank, met wie ze twee dochters kreeg, Branca en Grietje. Bob behaalde dat zelfde jaar zijn MULO diploma. Vlak voor zijn examen zat hij een week vast op het politiebureau omdat hij een verkeersboete niet kon betalen (zie hier. In latere politierapporten is ook nog te lezen dat Bob in 1941 tweemaal aangifte deed wegens diefstal van zijn fiets). Na zijn eindexamen verliet hij het weeshuis en ging weer in Amsterdam wonen, op Kastanjeplein 3. 

In 1939 scheidde zijn vader van Mietje om augustus 1941 nog een derde keer te trouwen, nu met Sipora Morpurga. Vier maanden later verliet Hans het weeshuis en ging bij zijn vader en stiefmoeder wonen in de Deurlostraat 7. Vanwege de razzia’s die februari dat jaar waren begonnen, vond het huwelijk plaats in een grimmige stemming. Op Bob na, waren ze een jaar later allemaal dood.  


  Porcelijn, Hans.jpg  Bob.jpg

Hans en Sal (Bob) Porcelijn

 

Bob werd bij een razzia opgepakt en opgebracht naar de Euterpesstraat (Nu Gerrit van der Veenstraat), waar de Sicherheitsdienst (SD) was gevestigd. Hij vertelde eens dat de manier waarop ze met de gevangenen omgesprongen weinig aan de verbeelding overliet. Hij sprak Duits en kletste zich eruit. Toen hij weer buiten was deed hij zijn ster af en nam de benen richting Parijs. 

In België werd de stopte de trein voor een paspoortcontrole. Bob is toen uitgestapt en weggewandeld, maar werd aangehouden door een Duitse soldaat. Die had begrepen dat je een jood kon herkennen aan zijn geslachtsdeel: of Bob zijn broek maar wilde laten zakken. De soldaat zag weinig anders dan een door de kou klein geworden piemeltje en liet Bob gaan. In Parijs aangekomen dook hij hij samen met andere Nederlandse vluchtelingen onder. Negen maanden later trok hij verder naar het zuiden en werkte hier en daar op boerderijen. Uiteindelijk belande hij in La Perche, in l’Orne, het meest zuid-oostelijke puntje van Normandië, tussen Le Mans en Orleans. Hij liet zich inmiddels “Bob” noemen en vertelde niemand dat hij joods was. Hij sloot zich aan bij de maquis, waar hij tegen “Toto” (Ernestine Alphonsine Alice Cottereau), zijn latere echtgenote, opliep. Die woonde bij Celina Houpillart, aan de rand van het Forét de Fréteval. Ze werden verliefd op elkaar en bleven de rest van hun leven samen.


Pasfoto Bob.jpg Pasfoto Alice.jpg

Pasfoto’s Bob en Alice, vlak na de oorlog


Toto kwam oorspronkelijk uit Coulonges-les-Sablons en verzorgde voedselbonnen voor onderduikers. Ze bracht Bob in contact met Maurice Dumais, burgemeester van Saint-Luperce en hoofd van de locale verzetsgroep. Dumais was nauw betrokken bij Operation Marathon, georganiseerd door de Engelse inlichtingsdienst MI9, en bedoeld om neergeschoten geallieerde piloten te redden en te verbergen in afgelegen bosgebieden. Daar zouden ze dan de bevrijding kunnen afwachten. Het belangrijkste kamp met codenaam Sherwood, lag in het Foret de Fréteval (bij Cloyes), dat uiteindelijk 152 geallieerde luchtmacht mannen zou verbergen, van mei tot augustus 1944. 

Januari 1944 werd de groep van Dumais door de Duitsers opgepakt. Dumais en zijn maten werden drie maanden later gefusilleerd. Bob ontsprong de dans door bij Houpillart onder te duiken. Bij een latere actie, in mei, raakte Bob gewond aan zijn benen en moest door Toto en Celina verpleegd worden.


Nadat ze door de Amerikanen waren bevrijd, besloten Bob en Toto met het Rode Kruis mee te trekken als tolk. Zo kwamen ze uiteindelijk in Berlijn terecht, waar ze de bunker van Hitler bezochten, die vlak daarvoor met Eva Braun zelfmoord gepleegd had. 

Na het einde van de oorlog keerden ze terug naar Frankrijk. Daar vertelde Bob aan Toto dat hij iets moest opbiechten. "Ben je getrouwd?" vroeg Toto, "Nee" antwoord Bob, "ik ben Joods…" (En dat in het Frans). Ze trouwden, Toto werd zwanger en beviel in november 1946 in Parijs van Michelle.


huwelijk.jpg

Huwelijksfoto Bob & Alice


Bob was inmiddels statenloos wegens “diensten aan een vreemde mogendheid”. Geen van beiden had nog familie over die hen aan Europa bond. (Mogelijk is Toto’s familie tijdens de oorlog gefusilleerd of in kampen omgekomen*). 

Als dank voor hun diensten aan het Rode Kruis boden de Amerikanen hen een Amerikaans staatsburgerschap aan. Een paar jaar later vertrokken ze naar New York, en in 1955 werden ze genaturaliseerd. Bob veranderde zijn naam van Salomon Elias Porcelijn in: Sal Robert Porcelyn, (zijn oude- en nieuwe roepnaam). Toto liet haar naam van Ernestine Alphonsine Alice Cottereau veranderen in Alice Porcelyn.


Immigration.jpg

PORCELYN, Sal Robert › Page 1 - Fold3.com


naturalisation Bob.jpg

Page 2 in Naturalization Index - NY Eastern Nov 1925-Dec 1957 - Fold3


naturalisation Alice.jpg

Page 2 in Naturalization Index - NY Eastern Nov 1925-Dec 1957 - Fold3


Uiteindelijk gingen ze in Oceanside, op Long Island, NY, wonen. Hun kleinzoon, Matthew Campbell, woont nog steeds woont op dat adres. Inmiddels zijn Bob, Alice, en hun dochters Michelle en Rosemary alle vier overleden.


1955 Bob en familie.jpg

1955 Bob en Toto met dochters in Rotterdam


-- 1px --.png


De details van Bobs avonturen in Frankrijk kende ik niet, totdat ik een paar jaar geleden op het internet  bij toeval op het verhaal van een Amerikaanse oorlogspiloot, Robert Douglas Couture, stuitte. In hoofdstuk 33 van Their Deeds of Valor  staan de belevenissen van een jonge Amerikaanse piloot die op D-Day boven Normandie wordt neergeschoten. Hier wordt veel duidelijk.


RCouture 1.jpg  RCouture 2.jpg

Robert Couture


Het verhaal van Robert Couture


De Mustang P-51 van Robert Couture, een 20 jarige Amerikaanse piloot, werd op D-Day (6 juni ’44) geraakt door Duits afweergeschut. Robert raakte gewond aan hoofd en benen en moest een noodlanding maken bij Vicheres. Dorpelingen brachten hem naar de boerderij van Marcel Rousseau gebracht, waar hij 5 dagen verbleef. Vervolgens werd hij naar het huis gebracht van Celina Houpillart, een verpleegster, die zijn wonden verzorgde. Daar ontmoette hij “Toto” (Alphonsine Cottereau), die bij haar inwoonde.


forced landing1.jpg forced landing2.jpg

De neergeschoten Mustang P-51 van Lt COUTURE


Robert Couture beschrijft deze ontmoeting en het vervolg hierop als volgt: 


…We pedaled away and went to Madame Celina Houpillart’s place. She treated my wounds. Another young woman lived with her, and there was a guy from Holland and an evader from the Royal Canadian Air Force hiding in her home. I was there a few days. 

Celina Houpillart’s husband had escaped to North Africa soon after the German invasion. Her young room mate, Alphonsine Cottereau, worked as secretary for the mayor in a nearby town 50 kilometers north of the Freteval Forest. She managed distribution of food ration cards and secretly provided “lost” ones to a few Resistance men hiding on local farms. Among these men was Bob Porcelijn, the “guy from Holland” Couture met.

Porcelijn, age 20, had escaped from a Gestapo prison in Amsterdam. After hiding nine months with Dutch friends in Paris, he fled to rural surroundings and worked on farms with young French refugees. Each month, he met Alphonse to collect ration cards for his colleagues. Romance bloomed. She introduced him to the local Resistance chief, Maurice Dumais, 65, a government official in Chartres. With new forged ID, Porcelijn took a job in Dumais’ office, but commuted 25 miles each weekend to see Alphonsine.

The Gestapo caught Dumais in January, 1944, along with 30 other Resistance workers, and eventually executed all of them. Porcelijn eluded the net and hid in Houpillart’s home.

In May, airmen parachuted from a crippled B-17 near her place. It attracted Mel09s above the town, and soldiers to the farms below. German patrols came fo Houpillart’s cottage, searched it, and threatened to kill her and anyone in the house if they found enemy airmen. They turned up nothing. Porcelijn hid in nearby woods during the manhunt. Just before D-Day, he participated in a Resistance raid and suffered wounds to his legs. After a few days under a maquis doctor’s care, he returned “home” to recuperate with his girlfriend and their hostess. Soon afterwards, two evaders showed up; Bert Chapman off the RCAF who had parachuted from a Halifax bomber, and Bob Couture…


Over Couture en de situatie tijdens de oorlog in La Perche is wel meer op het internet te vinden:


Over de rol van Forêt de Freteval aan’t eind van de oorlog is een een uitgebreid, uit het Frans vertaald Engels artikel te vinden: Freteval - An unknown episode.


* tenminste twee Cottereau’s zijn in 1944 zijn gefusilleerd. Ik weet niet of dit familie van Toto was. Zie Maitron.


––o–O–o––

15/11/2022