Amsterdams Bont

Porceleinschilders in Amsterdam


Amsterdams Bont is de benaming voor Aziatisch porselein dat in de 18de eeuw in Nederland kleurijk werd overschilderd. Hierbij werd de verf óp het glazuur aangebracht en ingebrand, meestal zonder veel rekening te houden met de oorspronkelijke blauwe versiering ónder het glazuur. Een typerend motief is het 'bloemenmandje', maar ook huisjes, vogeltjes, bloemetjes of mannetjes werden erop geschilderd.

bord.jpg

Amsterdams Bont met kenmerkende motieven (Eigen collectie)


Het vormde, evenals Delfts Blauw een betaalbaar surrogaat voor het dure Chinese- en Japanse porselein. Maar anders dan bij Delfts Blauw is de oorsprong van de naam onduidelijk. Je zou denken dat het uit Amsterdam kwam, maar voor zover bekend werd daar geen beschilderd porselein gemaakt. Daarom gaan sommige antiquairs er vanuit dat het van elders kwam (Aziatisch Keramiek, Pater Gratia Oriental Art). 

In de literatuur is er weinig over te vinden. Het belangrijkste artikel is van W. J. Rust "Een classificatie van Amsterdams bont ", uit 19651, maar ook hij twijfelt:

"Hollands porselein, zo werd ons Amsterdams bont vroeger genoemd, maar die oude benaming is misleidend en kan in onze dagen verwarring geven… Ook Delftse fayence werd wel Hollands porselein genoemd. De benaming Amsterdams bont is echter wel heel vreemd en ik weet er waarlijk de oorsprong niet van."

Voor zover na te gaan (www.delpher.nl) wordt de benaming voor het eerst gebruikt in een artikel uit 1917 van een zeker ‘M.’ 2 :

"Misschien kan hier nog even gewezen worden op het z.g. “Amsterdamsche Bont”. Dit is Chineesch porcelein met zeer eenvoudig blauw décor. Hier overeen (en zelfs zeer willekeurig) werd ’n ander décor in kleuren ingebrand, meest van een half Europeesch, half Oostersch ontwerp. Appelplukkers, scheepjes enz. Het is ’n geheel apart staand soort van porcelein . Waar de naam Amsterdamse Bont vandaan komt, is moeilijk te zeggen."

Precies dezelfde tekst staat datzelfde jaar ook nog tweemaal in De Hollandsche Revue.3,4 Waarschijnlijk is ‘M.’ de heer S.J. Mak van Waay, die de naam bedacht om wat orde te brengen is de verwarrende benamingen van verschillende soorten porselein. Zo werd ook wel van Amsterdamsch- of Hollandsch porselein gesproken, maar ook origineel Hollands porselein werd wel zo genoemd en dat gaf maar verwarring.


Waren er dan porseleinschilders in Amsterdam? Je zou het denken. Met de verstedelijking in de late middeleeuwen kreeg Holland er naast het water, een nieuwe vijand bij: het vuur. De meeste huizen waren van hout en met rieten daken en stonden ze dicht op elkaar. Bij brand stond in een mum van tijd de halve stad in lichterlaaie. Grote stadsbranden vonden plaats in 1421, 1452, en 1597 (zie ook: Stad in de as). Nadat in 1652 het oude stadhuis op de Dam afbrandde, werd in 1685 een nieuwe Brand-Keure  opgesteld die met enkele wijzigingen en aanvullingen van kracht bleef tot 1831. Hierin was vastgelegd dat: “Alle die vuur gebruyen tot haar Neringe, moeten consent, en aan den Gerechten hare Vuur plaatsen vertoont hebben.” 7  Alle aanvragen werden bijgehouden in het Minuutregister der Requesten van Amsterdam. Aangezien voor de fabricage Amsterdams bont ovens nodig zijn, moet dit in dit register terug te vinden zijn.

In het (incomplete) register van het Stadsarchief van Amsterdam zijn in de periode 1757 tot 1785 acht aanvragen terug te vinden. Helaas ontbreekt er 6½ jaar (van mei 1765 tot januari 1772). Jammer, want het lijkt me waarschijnlijk dat er ook in deze periode aanvragen gedaan.



Overzicht van gevonden aanvragen voor plaatsing van ovens door porseleinschilders:


  1. 1757 KLAC01979000131 (blz.255) Abraham Alexander …weezende een Porcelyn Schilder… woont Kerkstraat tussen de Amstel en de Weesperstraat, circa in het midden, aan de zuid zijde, een droogoven in het achtergebouw. Actum den 11 Junij 1757
  2. 1762 KLAC02008000078 (blz.130) Abraham Alexander & Comp., woont Weesper Kerkstraat tussen den Amstel en Weesperstraat, aan de noordzijde, in het achterhuis, een oventje om porcelein te emailleeren emailleeroven. Actum den 25 February 1762

    (De periode mei 1765 tot januari 1772 ontbreekt in het minut register)
  3. 1772 KLAC01953000006 (blz.7) Abraham Alexander, woont Lange Houtstraat in de Turfdragersgang, een droogoven. Actum den 17 January 1772
  4. 1772 KLAC01953000027 (blz.48) Hartog Abrahams, woont Raapenburgstraat aan de westzijde in het midden, een oventje op de open plaats achter het huis. Actum den 9 Sept 1772
  5. 1776 KLAC01953000130 (blz.255) Michiel Abrahams, woont Kerkstraat tussen den Amstel en Weesperstraat, …onkundig weesenden… (het oventje stond er kennelijk al) een fornuis ter drooging van aardewerk– een extra droogoven. Doordat Abraham Alexander op 1 oktober 1775 was overleden was de aanvraag er kennelijk bij ingeschoten. Actum den 7 May 1776
  6. 1778 KLAC01953000189 (blz.372) Hartog Abrahams, woont Rapenburgerstraat aan de oostzijde, … in het Tuynhu, is... een …Posteleyn Schilders Oven fournuijs…  Actum den 27 May 1778
  7. 1780 KLAC01953000244 (blz.481) Hartog abrahams, woont Rapenburgerstraat aan de westzijde, een extra …postelijn oventje…  Actum den 6 Juny 1780
  8. 1785 KLAC01973000126 (blz.143) Hartog Abrahams, porseleinschilder, woont Herengacht tussen de Amstel en de Houtmarkt, een oventje. Actum den 3 may 1785


Om wat voor ovens het precies ging is niet altijd duidelijk. Slechts éénmaal wordt expliciet emailleeroven genoemd. Driemaal betreft het een droogovens, twee maal een "porcelyn-schildersoven" en eenmaal een “…fournuijs om water verft in te droogen en te kooken.” Maar in alle gevallen wordt aangegeven dat het de fabricage van beschilderd porselein betrof. Abraham Alexander en Hartog Abrahams waren kennelijk de initiatiefnemers van de onderneming. De hoofdlocaties waren in de Nieuwe Kerkstraat en de Rapenburgerstraat. Daarnaast werd er nog een droogoven geplaatst in de Turfdragersgang (op de plek waar nu de Stopera staat) en een op de (Nieuwe) Herengracht.


plattegrond.jpg

Locaties van porseleinfabricage: 3x in de Kerkstraat, 3x in de Rapenburgerstraat, 1x op de Herengracht, 1x in deTurfdragersgang.  


Wie waren die porseleinschilders? Alle aanvragen werden door drie Asjkenazische Joden gedaan, de eerste drie door Abraham Alexander, en na zijn overlijden eenmaal door zijn zoon Michael Abrahams. De overige vier aanvragen werden door Hartog Abrahams gedaan. Je zou denken dat Hartog Abrahams ook een zoon van Abraham Alexander was, maar daar kan ik niets over vinden.


Opmerkelijk isdat de naam Porcelijn al vanaf 1750 in de in de joodse geboorte-, besnijdenis- en overlijdensregisters verschijnt, dus nog voor de eerste aanvraag voor een porseleinoven in 1757. (Ik schrijf nu wel Porcelijn, maar naam op wel meer dan tien verschillende manieren geschreven – Er bestonden nog een spellingsregels in de 18e eeuw. Hier gebruik ik Porcelijn voor al die verschillende naam-equivalenten.)  Je kunt grofweg zes families onderscheiden:



  1. Postelein(schilder)
  2. Boas Postelein
  3. Levie-Postelijn‏‎ (1743-1802)
  4. Digtmaker Cohen-Porcelijnschilder
  5. Pool Schilderer‏‎  (1744-1805)



Je mag aannemen dat ze samenwerkten en elkaar kenden. Sommigen families waren door huwelijk verbonden. Zo was Abraham Alexander Postelein getrouwd met Gutchen Jochem Kalisch, de zuster van Lea Jochem Kalischen, die weer getrouwd was met Michael Emanuel Digtmaker Cohen-Porcelijnschilder. En Jochem Abraham Pool Schilderer‏‎ trouwde met Vrouwtje Samuel Levie-Postelijn‏‎, de dochter van Samuel David Levie-Postelijn. En tenslotte trouwde midden 19e eeuw een telg van de familie Boas Postelijn met een telg uit de familie Posteleinschilder. 


Hoewel de laatste aanvraag voor een oven uit 1785 stamt, zijn tot in de 19de eeuw porseleinschilders actief geweest in Amsterdam. In 1876 meldt J.J. Boas Berg: ‘In de voorgaande en het begin van deze eeuw was hier eene industrie om grof blauw porcelein dat de Oort-Indische Compagnie aanvoerde, met rood en groen te beschilderen en als Hollandsch porcelein weder in den handel te brengen. Later werd ditzelfde toegepast op grof Engelsch aardewerk, dat op zeer weinig artistieke wijze werd beschilderd met allerlei voorstellingen waarna men de kleuren in het aardewerk brandde. De laatste, die deze industrie uitoefende, was zekere Digtmaker, op de Raamgracht 6. In het Algemeen Handelsblad 02-05-1837 staat inderdaad een advertentie van van deze Digtmaker.


1837 Digtmaker - porseleinschilders.jpeg

In het Algemeen Handelsblad 02-05-1837


Dus zeker een halve eeuw lang werd er in Amsterdam porselein beschilderd en gemoffeld.


Blijft de vraag hoe een paar Asjkenazische joden aan de kennis en vaardigheden kwamen om porselein te beschilderen en te moffelen. 

En waarom verscheen de naam porcelijn al vanaf 1750 in de joodse administratie? 

Het beschilderen en moffelen van mosterd porselein mag dan in Amsterdam op industriële schaal gedaan zijn, de techniek komt uit Delft.

De plateelbakkers daar waren al in de 16de eeuw bezig nieuwe verftechnieken te ontwikkelen voor hun aardewerk. Op de een of andere manier zijn deze begin 18de eeuw naar Amsterdam zijn gekomen. In "Porcelain de Chine" (1881) schrijft Octave du Sartel dat er begin 18e eeuw in Delft een keramist was, die als een van eerste in Nederland zou zijn begonnen met moffelen van door hem beschilderd wit porselein (blanc-de-Chine), dat hij vervolgens in zijn winkel verkocht. Gerrit was van 1705 tot 1740 ingeschreven bij het Delftse Sint Lucas Gilde als pottenbakker en handelaar in "Oost indiese posteleijne". Gerrit zal dit niet in zijn eentje gedaan hebben.

Bij nadere inspectie van de minuutregisters blijkt dat al in 1729 de Delftse porseleinschilder Elias Colier een oven had aangevraagd, waarin hij stelt: mede heeft uitgevonden, en met weynig Personen tot Delft eenigetyd aldaar geoeffent de kunst om porceleyn te gloeyen, en zodanige coleurent te geven als zy des goedvinden, dat daartoe een oventje nodig is… Elias Colier (1700-1762) stamde uit een Delftse familie van plateelschilders en vertrok in 1729 naar Amsterdam om met Hester Raap, zus van de roemruchte porseleinhandelaar Daniel Raap (1703-1754) te trouwen en zich daar te vestigen als porseleinschilder en koopman. Later voegde de (porselein)schilder Pleun Piera zich bij de familie. Samen vormden ze een gezichtsbepalende familie die in de handel van oosterse waar zat (chocolade, koffie, thee, specerijen en porselein), alsmede in Doelistenbeweging. Ze bezaten (pak)huizen op het Roeterseiland, aan de rand van de joodse wijk, en ik neem aan dat ze joodse mensen in dienst hadden. De periode 1747 - 1755 was een roerige tijd voor Amsterdam, waarbij Daniel Raap in problemen kwam. Uiteindelijk zou hij januari 1754 overlijden. Mogelijk heeft e.e.a. een rol gespeeld bij het verwerven van kennis en vaardigheden om “Porceleyn te gloeyen”?


Hoe het ook zij, begin 19e eeuw was het wel gedaan met Amsterdams Bont. Overal in Europa schoten porseleinfabrieken uit de grond die prachtig porselein maakte voor weinig geld. De concurrentie werd te groot, vooral met door prachtige Engelse porselein. Hetzelfde gold overigens ook voor het Delfts Blauw. Van de oorspronkelijke 35 fabrieken in Delft bleef uiteindelijk alleen de Porceleyne Fles overeind. 



Citaat uit de Algemeene Vaderlandsche Letter-Oefeningen (1781, p. 619/20): "Dat echter Delft, in deeze zijne hoofdtak van bestaan, het meeste nadeel toebrengt, is het Engelsch AardeWerk,'t welk tot ondergang dier Stad en derzelver Inwoonders, de smaak van In- en Uitlanders wegdraagt. –– En hoe weinige zucht wij ook voor die Natie hebben, zo moeten wij echter bekennen dat het Engelsch Aardewerk, zo in gladheid, dunte en nettigheid, verre het Delfsch te boven streeft; en doordien de Prijs genoegzaam gelijk is, worden wij, schoon tegen onze wil, gedwongen, het  vreemde boven het Inlandsche te kiezen." 



Van alle families die zich eerder trots Porcelijn(schilder) noemden, waren het alleen twee zonen van Abraham Alexander die de naam Porcelijn behielden. De oudste, Michiel, nam op 16-12-1811 met zijn gezin de naam Porcelijn aan. Zijn jongere broer, Emanuel koos met zijn gezin voor Porcelein, op 27-01-1812. Maar ook na de officiële naamsaanneming veranderde familienamen nog wel eens. Zo bleef de kleindochter van Michiel, Aaltje Abraham, zich tot haar dood Porcelijnschilder noemen. En familienaam Porcelein verwaterde in de loop der tijd tot Porcelijn. Tegen het einde van de 19e eeuw waren er alleen nog maar Porcelijnen, hoewel de naam nog geregeld met een korte ei geschreven werd. Bij het uitbreken van de tweede wereldoorlog waren er ruim 90 personen die als Porcelijn geboren waren, de meesten in Amsterdam. Na de oorlog waren er nog maar 33 over – de rest werd vermoord. Uiteindelijk bleef alleen de naam Porcelijn over.


Handtekening.jpg

31-07-1844. Huwelijksakte Isaac Gordijn met de handtekening van zijn moeder Aaltje Abraham 


overleden.jpg

Alg Handelsblad, 1899-12-05 avond p.7


Je kunt je afvragen waarom er plotseling een markt voor tweede keus porselein ontstond. In 1750 was porselein was al anderhalve eeuw onverminderd populair. Aanvankelijk was het onbetaalbaar en voorbehouden aan de zeer welgestelden. Maar al gauw kwam er ook goedkoper porselein. Pontanus (1571–1639) melde al in 1614 dat er zoveel porselein in Amsterdam op de markt kwam dat ook de gewone man het inmiddels kocht. Dan ging het vooral om het eenvoudige blauw/witte of onversierd spul dat in grote hoeveelheden met  de schepen mee kwam: van 1735 tot 1793 meer dan 38 miljoen stuks, en nóg kon het aanbod de vraag niet dekken. Daarnaast bleef er altijd een exclusieve markt voor bijzonder porselein bestaan: Chine de commande en het Japanse Imari-porselein was voor de rijken.


imari.jpg

Imari-porselein bord, met opmerkelijk bloemenmandje in het midden, gelijk aan dat van het Amsterdams Bont


Daardoor ontstond een markt voor goedkopere imitaties zoals Delfts Blauw en Amsterdams Bont. Het was dan misschien niet zo mooi als het echte Imari, maar in elk geval betaalbaar. En hoewel Delfts Blauw vaak mooier was dan Amsterdams Bont, had dat laatste het voordeel dat je daar toch prettiger warme drankjes uit dronk. Het nuttigen van exotische drankjes als koffie, thee en chocolade was razend populair geworden. Waar voorheen alleen de rijken zich dit konden veroorloven, genoot inmiddels ook het “gewone” volk ervan. Theedrinken was hét moment om met je (kostbare) porseleinen servies te pronken en je status te bevestigen. 


Het mag dan zijn dat men in Delft begon met porselein te beschilderen, maar de benaming Amsterdams Bont komt gewoon van porseleinschilders uit Amsterdams die het daar ruim dertig jaar produceerden. De kennis en techniek mag dam uit Delft komen, maar het was Amsterdam waar het massaal gefabriceerd werd. Meerdere families verbonden er hun naam aan en noemden zich soms letterlijk (Porcelijn)schilder. Hoeveel mensen er precies hun brood mee verdienden, en hoe groot de productie was is niet meer na te gaan. Maar wanneer je aanneemt dat er per week een een stuk of dertig serviesstukken werden gemaakt zo'n dertig tot veertig jaar lang, dan heb je het toch over een slordige 60.000 stuks serviesgoed: voldoende om de oorsprong van de naam te verklaren.



––o–O–o––

19/07/2022


Referenties:

  1. W.J. Rust, " Een classificatie van Amsterdams bont ", Mededelingenblad Vrienden van de Nederlandse ceramiek 41; 1965; p.9 - 21.
  2. Oude kunst; een maandschrift voor verzamelaars en kunstzinnigen, jrg 2, 1916-1917 11; p.330
  3. De Hollandsche revue jrg 22, 1917, no 12, 23-12-1917 p.730
  4. De Hollandsche revue jrg 22, 1917, no 9, 23-09-1917   p.529
  5. Brand-Keure der stad Amsterdam, 1786, artikel V.
  6. Catalogus van de ‘Historische Tentoonstelling van Amsterdam, 1876 - p.137.


–––